Bidden

Aan het tafeltje tegenover mij zit een oudere man. Hij is net aangekomen denk ik, met de laatste  boot uit Schier. Naast het tafeltje staat een vouwfiets. De man hoest schrapend, met veel volume. Hij wacht op iemand. Ik test mijn sliptongetjes. Met een mespunt kan je het zo van de graat tillen, tenminste als ze goed zijn klaargemaakt. En dat zijn ze. Ik heb een papieren servet vergeten en passeer een man met dienblad. Twee kibbeling, twee frites en twee bier staan erop. Het is zijn zoon, dat is goed te zien. Zelfs bij de counter hoor ik de schrapende hoest. Als ik terugloop naar mijn plek zie ik dat ze bidden voor het eten. Gevouwen handen, ogen dicht.

Als een ervaren viseter draai ik mijn sliptong om, daaronder ligt er nog zo een. Voor straks. ‘Eet smakelijk’, zeggen ze. Ze proosten met hun bier. Ook mijn frites mag er zijn en de garnituur nadert de omvang van een salade. De oudere man is een kenner van de boten, misschien ooit zelf schipper geweest. ‘Die blauwe dat is een Lauwersoger’ zegt hij, terwijl door de havenmond een kleine garnalenvisser binnenvaart. ‘Ja ik dacht het wel, het is een Lauwersoger, die is nog laat’ hij hoest terwijl hij praat. ‘Volgende keer moet ik maar niet komen als ik zo hoest, dan steek ik je nog aan.’ Van vader op zoon. Zo leer je ook te bidden.

Lekker zo’n flesje Chardonnay, goed gekoeld, niet te koud en het wijnglas is niet zo’n plastic ding. Ik leerde ook bidden van mijn vader en pas als hij Amen zei, dan rende ik van tafel. Ja over God en ‘Here zegen deze spijzen amen’, dat leerde je alleen maar thuis. Op school werd dat nog eens herhaald maar dat voelde toch als surrogaat. Zijn zoon zou wel eens schoolhoofd kunnen zijn. Hij bidt dus voor de klas. Ik keer mijn laatste visje om.

Naast mij hoor ik een moment van stilte. Bidden ze weer? Ze zijn al aan de koffie, de vader schraapt opnieuw zijn keel. Ze praten. Ik hoor losse woorden. ‘Polenmeldpunt’ en ‘die Wilders’. Zijn ze een fan van hem of voor of tegen? Ja hoor, gelukkig, ik hoor het. Ze baden voor hun God en niet voor Wilders. In mijn gedachten knoopt de tijd zich aan elkaar. Toen en nu dat valt hier samen. Ik hoor mijn vader Amen zeggen, ik wil van tafel rennen, hij houdt mij aan mijn arm. Ik krijg nu les van hem, in politiek of zo, dat doet hij altijd na het eten. ‘Wat zo’n man als die Hero Brinkman ook voor keuzes maakt, het is en blijft een farizeeër.’ Zag ik de mond van de oude man net bewegen? Vader en zoon staan op. ‘Hoe lang wou je bij mij blijven?’, vraagt de zoon. ‘Nou, totdat die hoest over is.’ De zoon pakt de vouwfiets, zijn vader stapt er traag op. De zoon houdt hem bij de arm en stuurt. De vader kan met zijn voeten bij de grond.