4 mei 1918
Ik heb foto’s van levenden uit die tijd. Weggeslagen gezichten die van dichtbij gefotografeerd zijn. Gruwelijke verminkingen door granaatscherven. Mensen die nog leven met halve gezichten. Geen mensen meer, ze leven nog wel. Nou ja, leven, ze kunnen op hun benen staan. Of op één been. Of ze liggen met een half gezicht zonder benen op hun bed. Eén oog is met grove steken dichtgenaaid, het andere dat kijkt mij aan. Zo iemand noemen we een overlevende. De overlevenden zijn ook dood, maar er is iets niet goed gegaan: ze leven nog. Het lijkt wel of ik niet het recht heb om naar die foto’s te kijken, ik schaam me, voel mij schuldig. Ik heb er niets aan gedaan. Ik sta aan de zijlijn, als een bezoeker aan het bed van een zeer ernstig zieke. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Of ik wat moet zeggen.
‘Goedemiddag meneer’. Stilte. Ik zie het maar durf daar niet over te praten, ik kan er niet goed naar kijken. Ik moet er toch naar kijken. Er is geen mond meer. ‘Wat vreselijk. Voor u, bedoel ik. Weet u hoe ze u noemen meneer? Overlevende, ja u bent een overlevende.’ Ik weet nu pas wat dat woord betekent. Nee ik weet het niet. Een mens kan dat niet weten. Het is voorbij het leven. Ik sta aan het bed en raak even de deken aan waaronder hij ligt. Ik moet toch iets doen.
‘Ik moet nu weer gaan meneer. Ik moet me met mijn rug naar u omdraaien.’ Ik schaam mij daarvoor. Ik schaam mij om weg te gaan. Ik wil zijn gezicht vergeten, anders kan ik niet verder. Ik kan het niet vergeten. Als ik mij omdraai draait het beeld van zijn gezicht met mij mee. Ik doe mijn ogen dicht. Niet uit onbeleefdheid, ik moet hem even niet zien. Toch gaat dat niet. Het beeld van het halve gezicht zonder mond heeft me al beet. Ingebrand, achter mijn ogen. ‘Ik moet nu weer gaan. Ik ga nu. Ik ga.’