De westkust van Wieringen, gemeente Westerland heet het daar. Ik was er eerder en schreef:
‘Als je van mediteren houdt, moet je op deze plek aan de kust gaan zitten. In de verte Den Helder waar in 1811 Napoleon even kwam buurten en op zijn initiatief werd de stad een marinehaven. Achter mij was zijn vriendelijke broer Lodewijk Napoleon actief. Je doet de ogen dicht en de chalets van zomergasten veranderen in barakken die daar tijdens zijn koningschap werden neergezet. Als zeelui besmet waren met een onbekende ziekte gingen ze hier in quarantaine.’
Waarom wil ik terug naar deze plek? Ik ga op een bankje zitten aan de Quarantaineweg, kijk uit over zee. Rechts een groepje chalets en wat geparkeerde auto’s met een Duits nummerbord. Vanaf een veranda knikt een man naar me met een blik alsof hij verdwaald is, als een reiziger die zijn bagage is kwijt geraakt. De reclamefolder klopt niet, er was hem een badplaats beloofd met een chaletpark aan de kust. Dat is er wel, hij staat hier immers, maar de belofte uit de folder wordt niet ingelost. Wellicht is het de mist die de oneindigheid van de zee – die hem beloofd was inclusief de ondergaande zon – aan het zicht onttrekt. Links op de veranda staat een schotelantenne om signalen te ontvangen uit de wereld waar je wel thuis bent. Ontheemd lijkt hij, dat is het woord.
Als je op zoek bent naar het anti-vakantiepark aan de kust (maar daar ga je niet naar op zoek, je wordt ermee geconfronteerd), naar de tegenhanger van die folder, dan zit je goed op deze plek. Alsof de natuur zich hier bedacht en het zand definitief van de zee gescheiden heeft. De vreemde leegte, het groepje chalets zonder samenhang alsof het een begin is van een ambitieus plan, dat nooit is uitgevoerd en waarvan je (vraag me niet waarom) ook zeker weet dat het nooit realiteit zal worden.
De werkelijkheid ís nu eenmaal onaf.
Ik hou van de onvolledigheid van het landschap, mislukte ingrepen, een weg die onverwacht doodloopt. Het mysterie van die leegte dat hier versterkt wordt door de Nederlandse vlag bij het tuinhek van een chalet, waarachter geen tuin zit. Alsof iemand op het hoogste punt van een bergtop is geweest en het symbool plantte van de plek waar hij vandaan komt. Zonder vlag en schotelantenne red je het hier niet. Voor je het weet verdwijn je tussen de gaten in het landschap. Vermist, ben je dan. Letterlijk.
De laatste reis
(fragment)
In het wijkje ten oosten van het station, achter twee verwaarloosde panden langs het spoor werd ooit een Hebreeuwse school gesticht. Op de eerste verdieping van een leegstaand gebouw kregen honderdtachtig kinderen les, joodse kinderen die op de openbare school zaten kregen hier, zo’n tweehonderd meter links van mij, bijles in het Hebreeuws. De leraren die het zich konden permitteren legden hun salaris op de tafel waarachter het schoolbestuur zat. Alsjeblieft, zeiden ze, zo kan je de school levend houden.
Een trein rijdt over een wissel, hoor ik, een bonkig geluid. Levend houden.
Ik passeerde zonet het stadhuis, de plek van ‘de president’, lees ik, de burgemeester, zeg je bij ons. Een hagelwit gebouw met het front van een Griekse tempel, met maar één doel: te imponeren. Schoonheid kan onbeschoft zijn. Tijdens de bouw stond er vast en zeker een bord: Funduscie Europeskie.
Kebab linksaf, kebab de eerste rechts. In de verte rijdt een trein. Ik moet naar het oosten, op 52.11. Als ik naar het noorden zou lopen, kwam ik langs de Joodse begraafplaats, de grafstenen zijn gebroken, het gras is net gemaaid.
Het is vreemd, juist nu het einde nadert, dat je niet weet waar je naartoe gaat, dat je een slechts een richting kent.
Beluister de podcast hier.
De pop
(fragment)
Het zou een wandelgids voor Warschau kunnen zijn, de roman De pop van Boleslaw Prus (1847-1912). Ik zou ondernemer Wokulski kunnen volgen, een kijkje nemen in zijn winkel, meeleven met zijn ziekelijke verliefdheid op de adelijke Izabela Lecka. Het boek – dat in 1890 eerst als feuilleton in een Warschauwse krant verscheen – is overigens geen liefdesgeschiedenis, maar een metafoor voor een samenleving die vastgelopen is – na een oorlog met Rusland was de nationale trots verdwenen –, het einde van de adel en de beklemmende bourgeoisie kondigt zich aan. Zelden zo’n heerlijk boek gelezen. Wij hebben de Max Havelaar, wordt wel gezegd, de Polen hebben De Pop. Iedereen in Warschau kende Stanislaw Wokulski, het werd een man van vlees en bloed. Zijn winkel, alsof die realiteit was en geen fictie, werd met een gedenksteen geëerd. Iedereen leefde mee met hem mee. Ach, zeiden ze, heb je het gelezen? Hij trapt in de val van die Izabela, terwijl die dame nog niet eens haar val heeft uitgezet. Wat is de menselijke ziel toch een chaotisch ding, zei de een, en ja, wat een raffinement bezit de mens toch, zei een ander, we lopen met open ogen ons noodlot tegemoet.
Beluister de podcast hier.
Szymborska
(fragment)
Het is even zoeken bij de kaartjesautomaat op het enorme busstation in Poznan. De zon valt op het scherm, het Pools is voor ons niet te vertalen en de mogelijkheden voor tickets zijn te talrijk. We drukken op wat knoppen en er rollen twee kaartjes uit. Nog geen vijf sloty voor zo’n 30 kilometer heen en 30 kilometer terug. Ik voel me een halve zwartrijder die niet weet niet of hij de goede kant op gaat. De bus is overvol, bij een volgende halte nog iemand laten instappen – en al helemaal een controleur – lijkt onmogelijk.
Als het goed is rijden we naar het stadje Kornik op breedtegraad 52.11. De dichter Wislawa Szymborska werd daar in het aangrenzende gehucht Bnin geboren (1923). In 1996 werd haar werk bekroond met de Nobelprijs voor literatuur.
Met drie dames op leeftijd zit ik op een bankje gepropt, probeer een gesprek op gang te krijgen, maar Engels wordt hier, vooral door oudere mensen, niet gesproken. We halen glimlachend onze schouders op. De bus scheurt door een bocht. Even later roept de vrouw naast mij ‘Gdansk!’ en tikt zich op de borst. Ik teken in de lucht een huis met een trapgevel en wijs naar mezelf. ‘Amsterdam!’ roep ik. Ik wijs naar haar: Gdansk! roept ze terug.
Beluister de podcast hier.
Vermoeid geboren
(fragment)
Als ik het perron opstap bij het stationnetje van Puszczykowo, sta ik in een andere wereld. Weg van de gehaastheid, ik reis achteruit als het ware en weet – in deze sprookjesachtige sfeer op 52.11 – niet waar naartoe. Het stationsgebouwtje en het bos daarachter doen me aan de sfeer van Astrid Lindgren denken, alsof ik noordelijker ben dan ik nu ben. Wellicht de invloed van de Zweden die hier in de 17e eeuw de dienst uitmaakten.
Naast het perron staat een Einmannbunker, het emotioneert me, ik heb nog nooit zoiets gezien. In mijn gedachten zie ik een jonge soldaat, hij zit daarin, het enige contact met de buitenwereld is een smalle gleuf waardoor je een stukje van de omgeving kan zien. Een cilindervormige eenmansbunker waar je, zo lijkt het, nooit meer uit kan. Grijs beton met een doorsnee van nog geen meter, schat ik en een lengte van een meter of anderhalf. Een verblijfplaats als een dodencel, je kon alleen maar staan en kijken.
Beluister hier de podcast.
Aan de Oder
(fragment)
Voordat ik Polen inrij kies ik een plek om de Oder wat te verkennen en sta nu in Alt Sechsdorf vlakbij Frankfurt aan de rivier. Een plek met uitzicht op een meer, de Oder verandert vanaf hier langzaam in een delta die uitmondt in de Oostzee op de grens. Ik was daar eerder, in 2007. Als je daar een auto nodig had, nam je aan de Duitse kant een taxi en stond er aan de Poolse kant een paard en wagen voor je klaar.
Naast mijn camper stapt een man van zijn tractor waarvan niet alleen de buitenkant maar ook het motorblok glimmend is gepoetst. Daarachter een pipowagen met gordijntjes voor de ramen en aan de achterdeur een opklaptrappetje. Een welbespraakte man, dat woord is wat te netjes, want nu hij eenmaal begonnen is, weet ik niet hoe ik hem moet stoppen. Hij is groot en vierkant. Zijn vrouw stapt uit de pipowagen, ze heeft iets van een lilliputter, maar ook helemaal in het vierkant. Even denk ik dat dit echtpaar onderweg het reizend theatergezelschap ‘Mit Spasz die Oder entlang’ waarvan ze deel uitmaakten, zijn kwijtgeraakt.
Beluister hier de podcast.
Huis aan het meer
(fragment)
Hongerig passeer ik een half uur later de Friedenbrücke en voordat ik het besef, zit ik in een eetcafé achter de Bratwurst (is dit mijn eerste Bratwurst op deze reis?) met Bradkartoffeln. Ik heb de neiging, want ik fiets voortdurend langs de voormalige grens, om mensen die ik tegenkom in Ossies en Wessies in te delen. De man die mij bedient – kaalgeschoren, ringetje in het oor, transpirerend want het is hard werken rond lunchtijd – is duidelijk een Ossie. Hierbinnen hangt de sfeer die ik ook voel in de wijk Babelsberg. Het volkse, geen patsers, geen Jaguar of Porsche maar een kleine Skoda voor de deur en voor nieuwe brillenglazen gaan ze niet naar de Augenklinik maar naar Hans Anders.
Fietsend door het voormalige grensgebied dat zich zo kenmerkt door muren met graffiti, sombere gebouwen die hun functie verloren hebben en de resten van vakantiehuisjes, waar vind je die niet, besef ik dat ik reis door de achterkant. Blinde muren, roestige staketsels die nooit meer van hun plaats afkomen, autosloperijen, grote hallen waaruit de ramen zijn verdwenen, locaties voor enge Netflix-series. Het zal nooit helemaal tot je doordringen, je bent immers maar passant.
Luister hier naar de podcast.
Station Wannsee
(fragment)
Vlak voor Berlijn moet de trein vol in de remmen, de geur van roestig ijzer.
De camper staat met een probleempje in een garage bij Wolfsburg, een stad die zelf op een garage lijkt. Ik ben onderweg naar Potsdam, iets ten noorden van breedtegraad 52.11. In Berlijn stap ik over op de trein naar Zossen, een vreemde naam zonder houvast, daar word je al reizend wat onzeker van. Geef mij maar Broek op Langedijk, je ziet vanzelf een lange weg naast een strook water. Of Leipzig, alleen al die nadrukkelijke klank Leip Zig met die harde overgang van de ‘p’ naar de ‘z’ , duidelijker kan het niet.
We naderen station Wannsee, ik heb deze reis al eerder gemaakt en ben toen bij Wannsee uitgestapt. Meerdere keren ben ik hier geweest, heb over deze plek notitieboekjes volgeschreven, over dit vreemde gebied tussen rails en autoweg afgewisseld met berkenbomenbosjes waar de lage mist nooit optrekt. En dan weer een weg en rails met af en toe daartussen een verdwaald vakantiehuisje, verwaarloosd meestal, neergezet in een tijd dat alles nog overzichtelijk was. Een tweede huisje net buiten de rand van de, toen nog niet opdringerige, stad. Het enige dat op deze plek tussen al het verkeer tot rust komt is opgewaaid straatvuil tegen een heg die ooit als afscheiding gediend heeft.
Luister hier naar de podcast.
Verdwalen met Nietzsche
(fragment)
Een Italiaanse cameraploeg loopt door mijn beeld, terwijl ik mijmer dat hij hier gezeten heeft. Als kind, in de tuin op het bankje onder de boom. De deur van het huis staat op een kier.
Ze gaan een film over hem maken, denk ik, hij stierf in 1900. De kabels lopen over de drempel van het huisje waar hij geboren is. Een geluidsman met een microfoon aan zo’n hengel test het geluid, even verderop aan de voorkant van het kerkje een witte tent waar de kabels naar binnen gaan: de regiecabine met daarnaast een man die peinzend heen en weer loopt. Dat is vast de regisseur.
Is er wel eens een speelfilm over zijn leven gemaakt? Ik dacht het niet, hij was ook niet de man die zich gemakkelijk in een scenario laat vangen of het verhaal moet over zijn gebrekkige verhouding met vrouwen gaan. Of over die vreselijke zus van hem die na zijn dood, zijn teksten herschreef zodat ze bij de nazi’s in de smaak vielen. Er is wel een roman over hem en zijn gedachtengoed: Nietzsches tranen.
Hij zat te huilen op dat bankje, denk ik. Of wilde dat toch niet laten merken, dat kan ook.
Hier kunt de podcast beluisteren.
Eenheid
(fragment)
Ik ben op zoek naar een plattegrond, de Toeristeninformatie is gesloten, op een bord aan de achterkant van het Rathaus vind ik een kaart van de omgeving. Een man vraagt of hij ergens mee kan helpen. U kijkt zo zoekend rond, zegt hij.
Ik schreef het al, de Duitser is graag gids. Hij heeft kort stekelhaar en trekt zijn T-shirt over zijn iets te dikke buik. Hij wijst naar zijn hardloopschoenen. Ja, ik loop elke dag een rondje voor de noodzakelijke conditie.
Ik zoek een plattegrond van Halberstadt, zeg ik.
Hij wijst naar het bord, u moet beslist naar Langenstein gaan, naar het Gedenkmal, er was daar een kleine vliegtuigfabriek van Juncker. Alleen al om die reden hebben uw bevrijders hier alles platgebombardeerd. Er stond hier bijna niets meer overeind, Halberstadt was letterlijk van de kaart. Toen mijn vader ouder werd, vervolgt de man, vertelde hij daar vaak over en ging boeken lezen over dat bombardement en verplichtte mij dat ook te doen.
De man kijkt even naar zijn schoenen en vertelt me wat zijn vader hem vertelde over die verwoesting. Het was niet mogelijk om de werkelijkheid te ervaren, zei mijn vader, woorden bleven bij me weg, pas veel later door er over te lezen, vond ik die. Hij vertelde me over de vrouw van de bioscoop – ze organiseerde daar alles, koos de films uit – die in paniek tussen het puin rondliep. Ze wilde orde scheppen, ze had immers de film al aangekondigd. De verwoesting was zo erg dat die tot niemand doordrong.
Hier kunt u de podcast beluisteren.