’t Wad

 

Op een fietskaart van Noord Holland had ik ’t Wad gezien. Een grijze punt, een buurtschap boven Schagen. Ik rij er vanaf Wieringen naartoe, passeer de Ewijcksluis, in deze streek kreeg Lou de Palingboer een teken. Lees verder via Literair Nederland.

Een klein dorp

 

Heveskes
Het is even zoeken. Het spoorlijntje voor goederenvervoer is mijn enige houvast, op een foto van het kerkje zag ik een treinrails voor de deur.
De chemische industrie van Delfzijl vormt het decor waarbinnen ik me met fikse tegenwind verplaats. In een verdwaald bushokje lees ik op een affiche: ‘Forum voor Democratie wil meer aardbevingen’. Heeft een reiziger hier wat te zoeken? Ja, de kerk van Heveskes moet hier staan. Helemaal alleen. In contrast met een landschap van glas, staal, beton, rookpluimen en een wirwar van buizen.
Inderdaad, waar de treinrails een bocht maakt sla ik rechtsaf en zie de kerk. Bizar.
Mij krijg je hier niet weg, lijkt de kerk te zeggen. Hoge bakstenen muren met stucresten. Meer niet. Kerkbanken, altaar, preekstoel en orgel zijn verdwenen net als de bewoners van het dorpje Heveskes. Rond 1970 werden hun huizen, een paar straatjes, drie lantarenpalen en het café gesloopt vanwege de vooruitgang. Het verhaal gaat dat mannen in chique maatpakken met aktetassen peinzend rondliepen en samen met de directie van een grote aluminiumsmelterij snel hun conclusies trokken: het kan niet anders, Heveskes moet weg.

‘De bewoners protesteerden,’ zegt een man die bij de kerkdeur staat.
‘Ja, ze wilden echt afscheid nemen, van hun roots, zeg maar. Het dorpje was in 1300 ontstaan. Het ging ze allemaal veel te snel. De kerk was verwaarloosd, hun verleden ontheiligd.’ De man kijkt rond, zoekt naar woorden.
‘Ja, de kerk staat op een plaat keileem, de bewoners wilden hem meenemen als het ware. Theoretisch had dat gekund,’ zegt hij. ‘Even is het een optie geweest om de kerk te verplaatsen.’ Ik zie het voor me als in een film van Buňuel. Tijdens de dienst wordt de enorme kerk op twee vrachtwagens gehesen. Iedereen zit in het complot, alle bewoners, de dominee, de actievoerders van ‘Red Heveskes’. Behalve de burgemeester en de wethouders, de verantwoordelijken voor het verdwijnen van het dorp. Ze zitten onwetend op de voorste bank. Dan begint de kerk te zweven en te trillen. De dominee schreeuwt dat dit de dag van het Laatste Oordeel is, de godvrezende burgemeester doet het in zijn broek. De bewoners genieten. Als Jezus over water lopen kon, kunnen wij een kerk verplaatsen.

In de enorme ruimte zoekt een zwaluw fladderend een uitweg. Een kunstenaar heeft een soundscape gemaakt. Ik luister, zoek houvast in de klanken. Wat een akoestiek. Geluid dat van ver weg lijkt te komen. IJzer slaat op ijzer, dan weer het geluid van licht metaal gevolgd door de donkere klank van brons. Een herinnering aan een scheepswerf, een kerkklok. Of allebei. Ik loop buiten rond de kerk. Het valt me op dat die niet pal naast de fabrieken staat. Er is nog ruimte, hoog gras en riet dat wuift. Ik vraag aan de man hoe dat komt.
‘In de jaren na het slopen van het dorp, kwam de industrialisatie tot stilstand,’ vertelt hij. Aan zijn gezicht is te zien dat hij nu nog woedend is. Nog één keer loop ik om de kerk heen. Ja, inderdaad, plek genoeg voor een klein dorp.

Wieringen

 

Glooiende wegen, kronkelpaden, aan alles is te merken dat dit een eiland was. Een oud landschap met een dijk van zeewier in het oosten en op de westpunt werd ooit de post per schuit bezorgd…. lees verder via Literair Nederland.

Schokland

 

Vlak voor de Roggebotsluis ligt het Ambtenarenhaventje, zo’n zestig jaar geleden aangelegd voor de ambtenaren in de Zuiderzeepolders. In die tijd hadden ze aanzien, bouwden mee aan onze toekomst en organiseerden zich in verenigingen. Als je daarvan lid werd kreeg je een ligplaats hier.
Maar of een haventje voor ambtenaren er anders uitzag dan een gewone recreantenhaven weet ik niet. Misschien stond er in de loods een lange tafel met aan de muur een net zo lange plank waar op je je broodtrommeltje kon neerleggen. En dat je op een Jiskefet-achtige manier benieuwd was naar het beleg waarmee de vrouw des huizes je nu weer had verrast.
Toen ik (weer) in Den Haag kwam wonen gingen mijn zoons voetballen bij RAS, Rijks Ambtenaren Sportclub, maar het is me nooit opgevallen dat de corners daar op een andere manier genomen werden of dat er meer, vanwege handhaving, penalty’s werden uitgedeeld. De plek van de stip zal wel goed uitgemeten zijn, vermoed ik. Nu zijn het niet meer dan herinneringen aan de tijd dat ons land in zuilen was opgedeeld en de verenigingsvorm dé manier was waarop je blijk gaf van je maatschappelijke betrokkenheid.

Ik moet hier rechtsaf, de sluis over, een stukje richting Kampen, en dan weer snel naar links. Ik ga naar Schokland, rij zoveel mogelijk via binnenwegen in een stil leeg landschap, een lage mist en af en toe een tractor voor me. Sinds gisteren zijn alle musea, theaters en cafés gesloten, handen schudden hadden we al eerder afgeschaft.

Aan de Middelbuurt op het zuidelijk gedeelte van Schokland parkeer ik. Hier is niemand, een aangename sfeer zonder toeristen, het museum en de kerk zijn gesloten. Een snijdende wind. Er is weinig fantasie voor nodig om te beseffen dat je op een eiland staat, midden op zee, niet meer dan een strook land, op sommige plekken nog geen tweehonderd meter breed. Aan alle kanten water en geen natuurlijke bescherming van een duin. Wonen en schuilen was hier hetzelfde; ik klim een terp op, daar staat zo’n huisje. Als de wind nu ging liggen en de zon krachtig werd, zou ik zeggen: geschikt als schrijfhut bij voldoende inspiratie en mooi weer. Het was ooit een woning voor zes kinderen en hun ouders.
Ik loop verder naar de Zuidpunt.
Daar stond de Enser kerk, waarvan het patroon nog zichtbaar is in muurtjes van een paar stenen hoog. In het midden op de ‘vloer’ een gepolijste grafsteen op groot formaat in goede staat. Geen data en geen namen. In 1859 vetrokken de laatste eilanders, het was niet meer vol te houden hier op deze geïsoleerde plek die eerst geen eiland was maar een drassig veengebied. Later werd het een schiereiland en daarna, tot de inpoldering, een eiland. Zonder bescherming lag het vol op zee, de naam Duivelseiland kreeg het niet voor niets.

Wilde je hier overleven dan moest je wel van het zuiverste ras zijn, meende hoogleraar Arie de Froe van de Universiteit van Amsterdam in de jaren 30 van de vorige eeuw. De Schoklanders, zo zei hij, waren dé representanten van de Nederlandse bevolking, de top van de Neanderthalers. Het beste, van het beste, het type Neptunus opgestaan uit zee dat gebulderd zou hebben van het lachen als ze mij in zo’n schuilhuisje zagen staan, om over het Ambtenarenhaventje nog maar te zwijgen. Een Schoklander schuilt niet. Zelfs de zee schrikt van zo’n man.
Of De Froe een topwetenschapper was betwijfel ik, maar dat is redeneren achteraf. Een skelet vinden van iemand van het zuiverste ras dat paste in de tijd waar de idee van Nietzsches Übermensch misbruikt werd door de nazi’s. In ieder geval is hij hier gaan graven.
Zeventig jaar later worden in de kelder van het Amsterdams Medisch Centrum dozen met botten gevonden die onder leiding van De Froe waren opgegraven. Geen skeletten, maar wel netjes gesorteerd: schedels bij schedels, dijbenen bij dijbenen en ellepijpen bij ellepijpen. Precies zoals een wetenschapper het niet wil hebben. Onderzoek leerde dat het de botten waren van mensen die hier tussen 1700 en 1850 zijn begraven, ze lijken in niets op die van de Neanderthaler maar vooral op die van gewone mensen, ambtenaren, zeg maar. In 2003 werden ze herbegraven op deze plek.

Een zwarte kat miauwt klaaglijk bij de museumdeur, een jogger loopt in de richting waar ik net vandaan kom. Over isolement gesproken: ik overweeg ook even naar Urk te gaan, dat is maar tien minuten rijden. Maar laat ik op deze eerste quarantaine-dag niet overdrijven. De kerkdienst, lees ik later, is in Urk te belangrijk om te schrappen. Natuurlijk, handen worden er niet geschud en snoep wordt er ook niet doorgegeven. Misschien stiekem een pepermunt, want uw immuniteit wordt vast en zeker door Gods woord gegarandeerd.

 

Wilhelmshaven

 

De bus vanuit Jever scheurt door een buitengebied met aangeharkte grindpaden voor keurige twee-onder-een-kapwoningen die allemaal op elkaar lijken. Aan de lantarenpalen de resten van affiches van politieke partijen. ‘Grenzen sicheren’ lees ik…. Lees verder via Literair Nederland.

Plinius

 

Ezinge
Ik heb de man niet aan zien komen, hij staat schuin achter me. Op de rand van een steile afgrond begint hij onverwacht tegen mij te praten. Nou ja, ‘steile afgrond’ is wat overdreven… Lees verder via Literair Nederland 

De nieuwe man

 

Eemskanaal, Damsterdiep
De heer Bepol, eigenaar van de scheepswerf zou beledigd zijn, maar hij was niet de man om dat te laten merken. Ik had het plan om langs het Damsterdiep te fietsen, tot ruim een eeuw geleden de verbinding tussen Groningen en de zee… Lees verder via Literair Nederland.

Wir schaffen das

 

Emden
‘Ach, wat stelt die stad nog voor,’ zegt de directeur van de Johannes a Lasco bibliotheek waar de tentoonstelling Reformation und Flucht te zien is. Ooit werd Emden het Venetië van het noorden genoemd… Lees verder via Literair Nederland.

Duitse taal

 

Bingum
‘Ze springen geruisloos in het gelid, alsof de man, vrouw en zoon erop geoefend hebben. Vanachter de toonbank van de bistro/pizzeria kijken ze mij dankbaar aan, de zoon geeft me het menu… Lees verder via Literair Nederland.

Man in rood jack

 

Eemshaven
Hoe kan het dat ik van de provincie Groningen nog het rijtje ken en niet alleen de plaatsnamen maar ook de landkaart heb onthouden. De groene kleur van boven, geel daaronder en die vreemde punt rechts naar beneden, die eindigt bij Ter Apel… Lees verder via Literair Nederland.