Landschap (3)

 

Nog niet eerder ben ik hier geweest. Ik sta op een kunstmatige glooiing, een uitkijkheuveltje. Links achter mij een paar Schotse hooglanders, dat is het enige wat beweegt. Nou ja, beweegt…
Links zie ik water dat zich in de verte verbreedt. Zelfs dat water kent geen rimpel, zo stil is het. Recht voor mij een uitgestrekte vlakte met wat riet. Een lage horizon, een hoge lucht.
Egaal grijs niemandsland.

Ik voel de behoefte om deze plek ergens mee te vergelijken. Waarom weet ik niet. Misschien zet al die leegte mijn geest juist in beweging. Dat kan. Ik herinner me het eiland Møn ten zuidoosten van Denemarken, ook die absolute stilte.
Leegte die je niet aan kan duiden met mooi of lelijk maar gewoon zoals het is.

Toch vervaagt de gedachte aan dit eiland net zo snel als die is opgekomen. Het is niet de herinnering aan iets anders, het is het herinneren zelf dat tot mij doordringt. Waarschijnlijk vanwege de afwezigheid van het dagelijkse: even koffie zetten, niet vergeten Jan te bellen, mijn belastingformulier. U kent dat wel. Waar het dagelijkse niet is, is er herinnering.
De toekomst ken ik immers niet.

Een week later loop ik langs de schilderijen van Armando in het Cobramuseum in Amstelveen. Zijn landschappen zijn ontegenzeggelijk verleden tijd. Hij verbeeldt iets dat geweest is. En hoewel het al voorbij is, is het dreigend.
U heeft nog een herinnering, lijkt hij mij te willen zeggen, maar beseft u wel dat die het absolute einde in zich draagt. Zijn strijd met de tijd. Indrukwekkende beladen beelden die mij diep raken. Hij laat mij zien dat achter de herinnering, het landschap van de verbeelding schuilt.

Landschap (2)

 

 

“Niet elke reis behoeft een doel…”   schrijf ik op de lege eerste pagina van het boek Souvenir Utopia. Ik zet mijn naam eronder en schuif het over de cafétafel in de stad Groningen naar degene tegenover mij. We kennen elkaar lang. Collega’s geweest en we weten, zonder dat nadrukkelijk uit te spreken, dat we elkaar ook graag blijven ontmoeten. Waarom ik die zin in het boek schrijf weet ik niet. Wellicht een reactie op het gesprek dat wij in het uur daarvoor hadden over doelgerichtheid van organisaties en strategieën om dit te realiseren. Zoiets. Hij is directeur en dit is voor hem dagelijkse kost. Voor mij is dat nu anders. Voor een schrijver is niet per definitie de kortste weg de juiste naar het doel.

Vorige keer schreef ik u dat ik vanuit Leeuwarden naar mijn schrijvershuisje reisde, nu was dat vanuit Groningen. Alsof de Dienst van Wegonderhoud van de provincie meegekeken heeft naar de zin die ik schreef, moet de bus voorbij Leens van de provinciale weg af. Omleiding, staat er op een bord.
Voor mij zit een echtpaar dat met de boot naar Schier moet. Ze bewegen wat onrustig. De man wijst op zijn horloge en de vrouw kijkt naar het digitale informatiebord met daarop de haltetijden die vertragen. In het prachtig lege landschap waar de bus nu onverwacht rijdt, zoeken ze naar bakens van herkenning. Het liefst een bord met Halte en een naam erop. Want als je bij de ene halte bent dan komt er ook een volgende.
De stilte van dit lege landschap wordt door hen uitgelegd als oponthoud.

Dit landschap kent geen bakens. Behalve dan de vogeluitkijkpost heel in de verte. Dat is het. Verder niets. We moeten wennen aan die stilte. We leven in een tijd van steeds hogere kijkdichtheid: beelden, borden, teksten, slogans die ons verleiden met…Ja met wat?
Nu blijkt er maar één zijweg nodig om ineens ver weg te zijn en worden we bang om te verdwalen. Stilte dat is tijdverlies.

Tegen de zon in zie ik het einde van een kreek die in zichzelf is opgedroogd. Rietpluimen bewegen en als de bus voorbij is zwaaien ze mij nog zachtjes na. Ik groet ze terug, mijn hoofdknik is onzichtbaar. Juist door stilte kan ik beter kijken, de aard van het landschap zien. De verstilde schoonheid van de leegte.
Verderop, onzichtbaar, ligt een veerboot in de haven.
Ik weet zeker dat hij wacht.

Landschap

Mensen zeggen dat het ver weg is.
Als ik vertel dat ik met het openbaar vervoer reis, kijken ze meewarig.
‘Tegen die tijd ben ik al in Parijs’ ,mompelt iemand. Ik hou mijn mond. Dat ik in het laagseizoen, eenmaal aangekomen, soms nog acht kilometer fiets voor een half brood, zeg ik maar niet.
Ik heb wel eens verteld, dat ik met de boot naar het eiland ben gevaren voor aardappels, broccoli en een fles wijn. Daar was de dichtstbijzijnde supermarkt.
‘Tja, waar je zin in hebt’, hoorde ik iemand zeggen.
‘En als ik de bus bij het station mis, moet ik een uur moet wachten.‘
Het is eruit voordat ik er erg in heb. Ik hoor ze het denken: moet wachten. Met accent op moet. Terwijl ik zo maar een uur extra krijg.
Mooi meegenomen, toch?
In het café bij de bushalte observeer ik de mensen die haast hebben. Haast, wat is dat eigenlijk? Het gevoel overal net te laat komen door dingen die er echt toe doen over te slaan. Zoiets.

Het is hier fijn bij slecht weer, de leegte wordt nog leger.
Alles is hier uitgerektheid. Uitgerektheid, in ruimte en in tijd. Als de bus de grote lege ruimte nadert, met in de verte de enorme watervlakte en de rietvelden van het meer en links achter de dijk ook nog zo’n vlakte met de wadden, lijkt het alsof de ruimte de tijd uitrekt. Als ik goed kijk, duurt alles langer. Doordat alles langer duurt, kan ik goed kijken.
Ik ga het landschap in.
Ik hoef me er niet mee te verhouden in termen van mooi of lelijk of kijk-nou-eens-wat-prachtig of wat-waait-het-hard. Ik bekijk het niet van buiten. Ik ben er in.

Poëzie is hier beter op zijn plaats. Toen David Muiderman, de dichter, voor het eerst hier kwam, schreef hij:

Lauwersoog

Hier trekt de stilte
over water het land in
via de kikkersloot
langs de enkels van het huis
tot in de mens
die vrede met zichzelf sluit -

Bad Sonneland, 13 februari

Elk moment verwacht ik hier een agent van de Volkspolizei met een herdershond. Zo ziet dit bos eruit. De raamkozijnen van de vakantiebungalows versterken die gedachte. Somberheid en soberheid gaan hand in hand. Alles is hier op de rand van verwaarloosd, maar alles is nog in gebruik. Ik hoor een portier slaan, even verderop parkeert een dikke BMW. Bij een huisje hangt de was op de veranda, onderbroeken in diverse maten. Een grote familie of een klein kinderkamp. Rechts in het gras zie ik een roestig rooster van wel tien meter lang. Daaronder rommelt het. Geluid van ijzer op ijzer afgewisseld met het sissen van lucht die ergens uit ontsnapt. Hier wordt gestookt voor al die huisjes en ongetwijfeld staan de radiatorknoppen altijd open. Ze kunnen niet meer dicht. Als wij stoken zult u het warm krijgen. Geen service maar een gebod. Dat is wellicht de reden dat overal de ramen open staan, terwijl het buiten koud is.

Schoon is het hier wel. Twee keer per dag staat er een bezem diagonaal in de deuropening van het toiletgebouw. Ik moet dan even naar de Dames en straks is dat ook andersom. Maar hoe kan iets dat schoon is, toch vuil lijken? Of is dat mijn eigen geest, die hier tien kilometer ten oosten van Dresden, alleen maar zien wil wat ik denk. Of elk beeld inkleurt met het donkergrijs van de steenkoolstenen die de basis van het fietspad vormen waarlangs ik zonet naar binnen kwam. Bad Sonneland. Die woorden zijn vrolijk en opwekkend bedoeld. Spetterende kinderen in het meer. Met een kano naar de overkant of de dobber in het water werpen vanaf die kleine brug. De van thuis meegekregen boterham bekijken en die met kaas ruilen tegen een met jam. Melk drinken uit een beker met een schroefdop. De stem van je moeder horen: Vergeet je appel niet. Op geen enkele manier kan ik die beelden projecteren op deze plek. Misschien begrijp ik later wel waarom.

Wellicht geeft het muurreliëf in de Schlossstrasse in Dresden mij een gedachte die naar een antwoord leidt. De DDR-tijd is daar afgebeeld met werkende optimistische mensen. LEBEN WIRD UNSER PROGRAM staat er nog te lezen, veel van de teksten zijn subtiel verwijderd. Of de man die ik zie zitten als ik bij Swinger koffie drink. Hij draagt een Oost-Duits kostuum, met een Oost-Duits overhemd en hij heeft Oost-Duits kortgeknipt haar. Een man met vale kleuren die onopvallend in elkaar overgaan. Elke nadrukkelijkheid is afwezig. Ja, zo lijkt het in Bad Sonneland ook: eenheid in onopvallendheid.

Het kan ook zijn dat de woorden van Wilhelm Beier mij wat verklaren. De pastoor van de Hofkirche in Dresden waar hij op 13 februari 1945 zijn laatste woorden over vergeving bad. Hij stierf de volgende nacht in de schuilkelder onder de ingestorte kerk. Als ik het gebed lees, daar in de Gedächtniskapelle, begrijp ik een beetje de functie van onopvallendheid. Een zelf gekozen bescheidenheid omdat we weten dat we zowel vredestichters als barbaren zijn.

In dezelfde kapel zie ik de Pieta van de kunstenaar Friedrich Press. Maria met de dode Jezus. Haar ogen zijn leeg. Geopend maar dood, zij heeft geen tranen meer. Verder kan ik het niet omschrijven, ik kan alleen maar huilen bij dat beeld. Kan kunst verlossen? Verderop de Frauenkirche. Een koor van oude dames, ze doen hun best. Nobis Pacem zijn die woorden die ik hoor, hun stemmen kraken. Die breekbaarheid klinkt wel gepast. Als aangekondigd wordt dat de mensen die een Sehlsorger nodig hebben de linker rij moeten nemen en die voor de uitgang de rechter rij, twijfel ik even. Ik schrik van mijn twijfel en kijk naar boven: twee dagen bleef die koepel nog staan en toen stortte die ook in. Nu staat hij weer.

Ik fiets terug, Dresden uit, voortdurend de weg omhoog. De lucht is glashelder. Toen het nacht was, keerden hier de bommenwerpers, ze hadden hun werk gedaan. De vriendelijke man in de receptie bij de slagboom roept of ik nog broodjes wil bestellen. Ik roep terug dat ik straks vertrek.

Hij zwaait. ‘Gute reise!’ Ik zwaai terug.

De natuur van de stad

 

Ik zie hem voor het eerst bij de gate van Brussel Airport, ook hij gaat naar New York. In het vliegtuig zit hij twee rijen voor mij. Uit zijn aktetas haalt hij een laptop, veegt met zijn mouw over de bovenkant en doet hem dan weer terug in zijn tas. Dan bekijkt hij zijn paspoort. Hij kijkt er onderzoekend naar, alsof hij het voor het eerst ziet. Met zijn ticket volgt hij dezelfde procedure. Dan haalt hij zijn laptop weer uit zijn tas, stopt hem er weer in, laat zijn hand op zijn tas rusten en wrijft met zijn duim heen en weer. Dan herhaalt hij alle bewegingen.

Na aankomst op het vliegveld maak ik kennis met minstens tien formulieren, alleen al voor de douane heb ik er drie ingevuld. Ik heb ondertussen al vier douanebeambten ontmoet. Bij de bus eenzelfde vorm van gedetailleerde functiescheiding. Een man achter de balie van de busmaatschappij, een mevrouw die met een automaat op haar buik kaartjes verkoopt, de chauffeur, iemand die de kaartjes inneemt en de passagiers telt. Veel politieagenten. Allemaal latino’s of negers. Een blanke in functie heb ik nog niet gezien. Door de gedetailleerde functiescheiding heeft iedereen zijn stukje werk.

Iedereen heeft zijn eigen doel, dat is het eerste wat opvalt. Iedereen is in beweging, niet slenterend of flanerend, niet zoekend, nee. Doelgericht. Op het platte dak van een laag appartementengebouw waarop ik uitkijk vanuit mijn appartement loopt een vrouw heen en weer. Ze leest een tekst en spreekt de tekst uit, kijkt op van het blad en beweegt haar mond. Dat kan ik zien. Ze loopt heen en weer en repeteert haar tekst. Het bijzondere is dat het niet vreemd is. Nee, het is doodgewoon, een actrice die haar tekst repeteert op een dak te midden van het drukke Manhattan.

Ik ga een coffeeshop binnen in de 71e straat. Aroma, staat met rode letters op het raam. Jonge mensen die salades eten, koffie drinken, hun laptop open klappen. En daar zit hij. Ik herken hem direct. Uit zijn aktetas haalt hij een laptop, wrijft erover, doet hem weer terug, legt zijn lepeltje met een precies gebaar aan de andere kant van zijn kopje. Pakt een boek uit zijn tas en bekijkt het alsof hij het voor het eerst ziet. Doet het boek weer terug, pakt het lepeltje en bekijkt het. Hoe komt het dat ik hier, in de coffeeshop, niet geobsedeerd naar hem kijk? Zijn bewegingen voegen zich moeiteloos naar het beeld van de mens in New York. Net als de actrice die haar tekst leert op een dak. Terloops, als vanzelf. Als de natuur van de stad.

Allochtoon

Nu dat woord niet meer in is, kan ik wel wat bekennen. Ik ben zelf drie jaar een allochtoon geweest.

Geboren en getogen in de grote stad, verhuisd en drie jaar in IJsselstein gewoond. Dat was toen nog geen Vinex- locatie maar een dorp en ik woonde in de eerste nieuwbouwstraat. Een beetje de sfeer uit die film Noorderlingen. Alle straten hadden mooie eenvoudige namen. Hoofdstraat, Achterdijk, Brink, Achterveldse weg. De straat waar ik woonde heette Orion. Als ik op het postkantoor kwam en er werd gevraagd waar ik woonde en ik zei Orion, dan werd ik met achterdocht bekeken. Ik werkte op een theaterschool in Utrecht maar dat durfde ik daar tegen niemand te zeggen, uit angst een bord met de tekst ‘ Goddeloze’ op mijn deur gespijkerd te krijgen.

Ik was een fan van Thelonious Monk, John Coltrane en dat soort type jongens. Elke zaterdagochtend draaide ik altijd zo hard mogelijk hun muziek. Bij mooi weer natuurlijk met de ramen open en als de wind een beetje gunstig stond, dan vlogen de klanken en de bijbehorende dissonanten zo door de ramen op de Achterdijk naar binnen. Aan de rand van de polder een keiharde John Coltrane, dat was het begin van een goed weekend. Ik heb het drie keer kunnen doen.

Toen ik de vierde keer wat rustig met Take the A-train begon en het raam opende, hoorde ik in de verte de plaatselijke harmonie. Ik zette snel een ruige Coltrane op. Maar het geluid kwam steeds meer mijn kant op en tot mijn verbazing eindigde de harmonie op het open veld vlak voor mijn huis. Gespeeld dat ze hebben…! Zelfs met mijn ramen dicht kon ik Coltrane niet meer beluisteren. Wekenlang hebben ze deze het plek voor mijn huis als oefenruimte gebruikt. De buurt vond het prachtig. En ik voelde me, ja inderdaad, een allochtoon.

Wandelen met Roth (slot)

Nu ben ik er. Ik weet het zeker. Kranten hangen aan haken als regenjassen aan een kapstok. Rechts zie ik het groene laken. Van het andere eind van de zaal drong het geluid van zacht klotsende biljartballen door, schreef Joseph Roth. Als ik de grote ruimte in loop komt nog een zin naar boven. Hij kon niet meer leven zonder de vaste aanblik van de kleine, witte ronde en de rechthoekige tafels. Ik sta tussen kleine tafels in alle soorten en maten. Ik heb hem gevonden, ik kom hier thuis bij Roth.

ZZP-ers en studenten zitten achter hun laptops of discussiëren met elkaar. Op de lege tafels liggen witte papiertjes met een tijdstip en naam van degene die deze plek heeft gereserveerd. Ik ga zitten aan het tafeltje bij het Letztes Fenster zo lees ik op zo’n papiertje. Zit ik nu aan een tafel waar hij ooit gezeten heeft? De man die mij liet huilen over zijn boek Job? En vanuit deze plek heel Europa overzag? Een docent bespreekt met zijn studente een werkstuk dat op haar laptop te lezen is. Ze kijkt wat verlegen mijn kant uit alsof ze om hulp vraagt. Hij geeft allerhartelijkst zijn aanwijzingen. Met zijn onderarm raakt hij de hare aan. Even later belt hij mobiel en doet zijn handen voor de telefoon alsof hij aan een onbekende een geheim verklapt. Zij kijkt argwanend.

Het urinoir draagt, net als de bekleding van de stoelen, al meer dan een eeuw geschiedenis in zich. Dit koffiehuis werd 130 jaar geleden geopend. In het marmer op de kleine tafelbladen met de donkergeaderde vlekken is het verleden opgeslagen. Armen die rustten op het tafelblad. Handen die naar elkaar reikten. Liefdesverklaringen. Hoeveel kilometers hebben de biljartballen afgelegd? Het donkere geluid van het rollen en dan de hoge kets die daarop volgt. Zacht klotsende biljartballen.

De stem van de docent is harder dan daarnet. Ik hoor het woord Geschichte. Hij is een eindeloos betoog gestart dat hij met handgebaren ondersteunt. De verlegen houding van het meisje is verdwenen. Nu zie ik ergernis. Zijn commentaar op haar werkstuk wekt geen ontzag meer op. Er is iets fout gegaan. Ze heeft een minzame lach op haar gezicht. Ze wil aan hem ontsnappen en legt haar hand op de bovenrand van het beeldscherm. Hij verheft zijn stem. Zij klapt kordaat de laptop dicht. Dit kost haar een vol punt.

Ik bestel nog een Kleine Brauner, pak mijn pen en schrijf: Wenen, weemoed, Joseph Roth.

Wandelen met Roth (3)

De buitenkant van het appartementengebouw waar Joseph Roth woonde is robuust, voornaam bijna. Binnen zie ik een verwaarloosde binnentrap, er wordt geschreeuwd. In de verveloze deur is een gat getrapt. Ik schreef het u al eerder: Wenen, een stad van façades. Nu loopt hij voor mij, hier in de Rembrandtstrasse, in de richting van de brug. Welk koffiehuis zal hij kiezen. Zal ik hem roepen, zal hij zijn pas versnellen? Hij weet goed wie hij niet moet vertrouwen. Het worden rare tijden.

Misschien moet ik toch ergens anders zoeken. Niet in het chique. Meer in de periferie, weg van de barokke netheid. In de tram richting de wijk Ottakring word ik begeleid door een Joodse jongeman met pijpenkrullen en een zwarte hoed. Hij babbelt voortdurend door zijn mobiele telefoon. Ook orthodoxie kent zijn grenzen. Roth, die heel wat van Europa heeft gezien zou zich wel thuis voelen in Ottakring, denk ik. Een mengeling van Turkse en Balkan- restaurants en studio’s met jonge culturele ondernemers. Alleen ik mis hier iets. Hier zijn geen koffiehuizen. Ik neem de tram weer terug naar de brug waar hij in mijn gedachten is ingestapt.

Als ik nou gewoon rechtdoor loop, dan moet het eerste koffiehuis toch kansrijk zijn. Ik ga de brug over en in het verlengde van de straat waar Joseph woonde, zie ik een grote hijskraan staan. Ik ben nu in een mooie buurt, statige gevels. Daar rechts daar woonde die andere man. Roth verhuisde van Wenen naar Berlijn en in 1933 vertrok hij naar Parijs. Hij wist haarfijn wat er komen ging. Huisraad had hij niet, aan woonhuizen had hij een hekel. De geur van avondeten op een gang maakte hem ongelukkig. Hij schreef in koffiehuizen en cafés, in een hotel daar stond zijn bed. Op het nachtkastje een glas water. Nou ja water, het lijkt op water. Ruikt u maar. Jenever dus. Ook de andere man vertrok in 1933. Zijn verhuizing was uitvoerig, grote kisten, dure meubels. Nu sta ik voor zijn huis, nog geen kwartier lopen vanaf de Rembrandtstrasse. Roth moet hier vaak langs gelopen zijn, over de stoep waar ik nu sta. Ik bel aan. De deur gaat niet gelijk open, het lijkt alsof iemand uit een kamer moet opstaan, door de gang loopt en vanachter het gordijn voor het deurraam mij bespiedt. Hij observeert mij, de duimen in de kleine zakken van zijn vest. Een bedachtzame blik waarmee hij door mij heen kijkt. Een grijze puntbaard. Museum Freud, staat er buiten op het bord.

(wordt vervolgd)

Wandelen met Roth (2)

In het koffiehuis Schwarzenberg drink ik Wiener Melange en eet daarbij Apfelstrudel met Preiselberen. Dit helpt tegen mijn vooroordelen, ik hou niet zo van Wenen, kunt u lezen in een eerdere blog. Ik wil meer zien dan die bladgouden façade. Een oude heer bladert aan het ontbijt in de Kronenzeitung, een mengvorm tussen de TROS-Kompas en een ANWB gids maar dan een maatje groter. Een jong stel, hij met een draagzak met baby op zijn buik, klinkt met hun glazen Sekt. Ik ben niet waar ik zijn wil.

Ik wil op zoek naar Joseph Roth (1894-1939), naar de Weense koffiehuizen waar hij gezeten en geschreven heeft. ‘ Het was een rumoerig koffiehuis. De rook van sigaretten en sigaren zweefde koud boven hun hoofd. Van het andere eind van de zaal drong het geluid van zacht klotsende biljartballen door,’ schrijft Roth. Of een andere plek, minder rumoerig, die door Arnold, de hoofdpersoon in het boek ‘Zipper en zijn vader’ bezocht wordt: ‘Hij kon niet meer leven zonder de vaste aanblik van de kleine, witte ronde en de rechthoekige tafels; van de dikke pilaren die ooit, in de vroege jeugd van dat koffiehuis, zijn pronkende majesteitelijke karakter deden uitkomen.’ Ik luister of ik hier klotsen van biljartballenballen hoor. Pilaren zijn hier ook al niet. Waar moet ik beginnen? Ik stap in de tram, stap uit bij het Radetzkyplein. Het eerste boek dat ik van Roth las, was de Radetzkymars. Het enige koffiehuis op dit lege plein is gesloten. Beweging is er alleen rond de Turkse snackbar. Ik loop terug naar het centrum. Waar ooit Café Herrenhof geweest is, rest nu een betonnen gevel van een kantoorgebouw. Roth was er stamgast net als Robert Musil en Hugo van Hofmannsthal. Ik probeer het even verderop. Café Central. Dit lijkt me te deftig voor Roth, maar wat nu blinkt was ooit eens verwaarloosd. Ik ga zitten aan een kleine tafel. Keurige slanke obers en dito vrouwen bedienen een rijke Turkse familie tegenover mij. Ergens speelt een pianist, Edelweiss en It’s now or never. Het spelen valt me pas op als het gestopt is. Misschien moet ik anders beginnen.

De volgende dag sta ik voor Rembrandtstrasse 39, de plek waar Roth gewoond heeft. Een appartementengebouw maar dat woord is te mooi voor wat ik zie. Ik kijk naar binnen, probeer een voet tussen de deur te zetten, kan nog net het verveloze trapportaal zien. Een man in trainingsbroek verzoekt mij dreigend, te vertrekken.

(wordt vervolgd)

Thomas

Ik zit nu op een kerkbank in de Basiliek San Giovanni in Laterano, de eerste kerk die in Rome werd gebouwd. Veel mensen -wat is het hier druk- bekijken de kerk door het lcd scherm van hun mobiele telefoon. Als ze iets zien dat hen bevalt, drukken ze af. Ook als het niet bevalt, geloof ik. In het middenpad loopt een vrouw met een IPad die ze als filmcamera gebruikt. Ze houdt hem vlak voor haar gezicht. In de hoek onder het orgel spreekt een gids zacht door een microfoon die draadloos verbonden moet zijn met de oorschelpjes van een groep toeristen met gele sjaaltjes om hun nek. Even later komen alle mensen met die gele doekjes uit hoeken en gaten van de kerk. ‘Verzamelen’, hoorden ze in hun oorschelp. Voordat ze naar buiten gaan staat een van hen met een digitale teller bij de deur. Zo raak je niemand kwijt. Ik glimlach. Gisteren zag ik een geel doekje in de Tiber drijven.

Een oude vader loopt met zijn blinde zoon, ik schat hem in de veertig, naar een beeld vlak voor mij. Hij betast wat zijn vader ziet: de marmeren plaat onder het beeld van de Heilige Thomas. Eerst voelt hij aan de barokke rand, dan schuift hij zijn vingers over het gladde marmer, voelt een letter, zoekt het begin van het woord en schuift zijn hand naar rechts. Het kost hem tijd. ‘Wie is die Thomas ook alweer, waar staat hij voor?, hoor ik de moeder vragen. De vader brengt zijn vinger naar de lippen. De blinde zoon legt zijn vingers op de laatste letters, ik zie hem denken. Dan trekt een glimlach over zijn gezicht. ‘Wie is die Thomas ook alweer,’ fluistert de moeder. ‘Een apostel die niet geloofde dat Jezus bij zijn vrienden was langs geweest omdat hij het zelf niet gezien had. Pas toen Jezus weer kwam, geloofde hij het. Hij geloofde alleen wat hij zag.’

Daar loopt de mevrouw van de IPad weer. Nu met een audio guide aan haar oor, ze loopt bedachtzaam, luisterend. Haar blik is op de grond gericht.