Zoet en zout

 

‘Inversiewegen. Prielen. Die woorden hoor ik voor het eerst. De campingeigenaar is kunstenaar, inclusief alpinopet. Hij is in het westen geboren maar al zijn hele leven, zo zegt hij dat, Noord-Groninger…’
Lees verder op Literair Nederland

De Graanrepubliek

 

‘Weet u wat het is met dat boek?’ Hij heeft dik grijs haar en daaronder een knoestig gezicht. ‘Dat boek is te goed. Iedereen herinnert het zich als een mooi boek. Dat zei u toch ook daarnet? Maar weet u wat het is met De Graanrepubliek? Een boek kan ook te mooi zijn, waardoor je vergeet hoe erg het was…
Lees verder via Literair Nederland

Eigen weg

 

Uit het niets scheurt een auto het terrein op. Een vrouw, vurige ogen, roept ‘Installez vous!’ Ze zegt dat het kantoortje vanmiddag van vijf tot zes geopend is. Weg is ze weer. Ik ben net met mijn camper aangekomen op deze prachtig gelegen camping met nauwelijks kampeerders. Het dorp hier heet Concoret, in het midden van Bretagne.
Een uur later sta ik voor een klein bureau, daarachter zit een vrouwelijke ambtenaar die vraagt naar mijn identiteitsbewijs. Ze noteert mijn gegevens in een couponboekje met doordrukformulieren. Naast haar maakt een meisje, ik schat haar een jaar of vier, een tekening. De vrouw mompelt: ‘Taxe de séjour, 20 cents, emplacement, 4 euro, branchements, 2 euro 40.’
Buiten het geluid van een autoportier dat met een klap wordt dicht geslagen. De jonge vrouw van zonet komt aangerend met een jongetje op haar arm. Ik zie de donkere vurige ogen weer, net als die van het meisje dat hier zo rustig tekent. De ambtenaar – het is een Camping Municipal – kijkt even op, zegt iets, de vrouw zet het jongetje op de grond, drukt driftig op het scherm van haar telefoon en loopt weer naar buiten. De ambtenaar haalt een lineaal uit de bureaulade, slaat een breed schrift open en trekt een lijn. Daaronder schrijft ze nogmaals mijn gegevens.

Wellicht is deze ambtenaar ook onderwijzeres en hoofd van een schooltje. Het zou zo maar kunnen, om haar heen hangt de sfeer van ‘Être et Avoir’. En misschien is de druk-heen-en-weer-rennende moeder een stagiaire of een leerling-ambtenaar die het leven even net niet aankan zonder hulp van deze rustige begeleidster.
Of ik op het hek gelezen heb dat de camping alleen het weekend open is, vraagt ze, het seizoen is nog niet begonnen en of ik het niet vervelend dat ik maandagochtend al weer weg moet. Ik knik begrijpend en vraag of er maandag een tijd is dat het hek op slot gaat. Nee hoor, neemt u de tijd, zegt ze. Ze scheurt de langwerpige coupon uit het boekje en geeft die aan mij. Links staat een serienummer en onder ‘Le Regisseur’ haar handtekening. Ik zie de resten van wat ooit een meisjeshandschrift was.

Die avond wandel ik door het verlaten dorp. Bij de school hangt een foto van de leerlingen, ik tel er veertien. Op het mededelingenbord bij de Mairie worden de verkiezingen van 11 juni aangekondigd met de namen van kandidaten en hun vervangers. Aan de voorkant van het stadhuis is een banier losgewaaid, de tekst is niet te lezen. Bij de kerk hangt er eenzelfde: ‘Ici, la fête de Bretagne.’ Ook hier een mededelingenbord. ‘De kerk is op last van de overheid gesloten. Vanwege neervallende ornamenten kan uw veiligheid niet gegarandeerd worden.’
Op maandagochtend rij ik weg. Ik stop bij een zebra, een klas kinderen steekt over. Ineens zie ik het: midden in de groep een vrouw met een regenjas. Ze praat, de kinderen luisteren. Dus toch, zij is het, de onderwijzeres. Op het moment dat ze de stoep opstapt, draait ze zich om. Ze kijkt naar me, alsof ze mij hier had verwacht. De kinderen lopen door en even staat ze daar alleen. Ze bevestigt de herkenning met een glimlach, knikt en kijkt aandachtig. Het klopt, lijkt ze te zeggen, dit is inderdaad mijn leven. U heeft het uwe, zo gaan we onze eigen weg.

Veer

 

Een wielrenner – ik schat hem al een eind in de zeventig – draait zijn rondjes op de keien. Hij wil zijn voeten pas van de pedalen klikken als hij op de veerpont is. Die vertrekt net van de overkant. In de achterzakken van zijn shirt zie ik aluminiumfolie, daarin waarschijnlijk een paar boterhammen. In het zakje daarnaast een transistorradio (bestaan die nog?) of een walkman uit de tijd dat hij nog jong was. Er schalt muziek uit. Ja, ‘schallen’ is op deze stille plek het juiste woord. Bill Haley, ‘rock a round the clock’ en daarna Little Richard. Daar komt de veerpont.
Even later staan we naast elkaar en varen naar de overkant. The Everly Brothers met ‘Lucille.’ Ik neurie mee – ‘Lucille, You don’t do your daddy’s will…’ – en betaal de veerman negentig cent. Een smartphone, met oordopjes en Spotify, lijkt hier op science fiction.
De boswachter uit Afferden had het mij verteld: met de veerpont oversteken en dan gelijk naar links. Dan rij je door het Maasheggen-gebied, een beschermd stuk landschap vol meidoornhagen. ‘De Romeinen liepen hier vast tussen de stekels van de struiken, ’zei hij en trok daarbij een gezicht alsof hij oog in oog stond met een groep Romeinse soldaten. Ik zie zijn fonkelende ogen voor me. Een duidelijke stem, zijn reisadvies klonk als een opdracht. Al in de middeleeuwen was daar een veer, riep hij me na.

De slagboom van de veerpont gaat omhoog, je kan het hier geen kade noemen. De wielrenner fietst rechts de smalle weg op richting Sambeek, ik ga naar links. Een hek in rood en wit en een verbodsbord, hier mag ik niet in. Maar ja , ik heb een opdracht.
Even later rij ik door een wonderschoon gebied, er is hier niemand. Ineens moet ik aan een oversteek bij Arcen denken. Was dat vorig jaar? Een dunne mist over de Maas, ik was de enige passant. In de stuurhut brandde een kaars met daarop een plaatje van Maria. Is dat voor Pasen? vroeg ik. Nee, zei de veerman, mijn zus wordt vandaag geopereerd, een zware operatie.
Met een hoofdbeweging gooit hij zijn zwarte haar naar achteren. Bijzonder dat een herinnering zo precies kan zijn. Hij is niet iemand die je gemakkelijk doorgrondt. Ik stelde een vraag. Hij gaf een antwoord. Je ziet elkaar nooit meer.
Oversteken met een veerpont doet iets met het besef van tijd. Alhoewel het een tochtje van een paar minuten was, stonden we lang en zwijgend naast elkaar. Op weg naar niemandsland, zo voelt zo’n aankomstplek. Sterkte, zei ik. Hij stak zijn had op.

Bij Vierlingsbeek kan ik weer oversteken richting Bergen. Als je daar vertrekt kan je de overkant al zien. Er zitten twee mannen op een bankje, een intieme plek. Een rugzak bij hun voeten. Rechts ligt een nooit opgehaalde fiets.
Ik fiets de weg omhoog, stop en kijk om: het veer vaart weer in de richting van de overkant. Het heeft geen haast, het vaart al eeuwen over de provinciegrens, de rivier als scheidslijn tussen geschiedenissen en gewoonten. Geen bruggen, tunnels, landschapsarchitecten en andere veranderaars. Stel dat het Nederlands landschap hersens heeft en een hoogleraar vertelt studenten over de plaats van alle functies in die hersens. Hij projecteert ze op een grote kaart. ‘Kijk,’ zou hij zeggen, ‘bij die veerpont: daar vind je het geheugen van het landschap.’

 

 

Een stem in Moddergat

 

Ik ben de enige fietser langs de dijk van Lauwersoog naar Moddergat. Een vriend had het mij gezegd: je moet daar gaan kijken bij laag water. In de Bantpolder die ik passeer landen de eerste ganzen. Straks neem ik een lange bocht naar rechts, de Seewei is vermoedelijk de eerste straat achter de dijk. Ik moet op nummer 40 zijn, daar is het stemlokaal. Een uurtje fietsen om mijn stem uit te brengen, dat heeft wel wat.
Als ik de ruimte binnenstap – het ligt achter een kleine kerk, ‘gemeenschapscentrum De Wynroas’ lees ik boven de deur – zie ik drie mannen achter een tafel zitten. Ze zouden broers kunnen zijn. Alle drie brildragend, kortgeknipt grijs haar met een opspringende scheiding en een net overhemd onder een pullover. ‘Zo zo, u heeft een kiezerspas, daar mag u overal mee stemmen,’ zegt de man die links zit terwijl hij mijn pas naar de hoek van de tafel schuift. Ik voel me als een kind dat op visite gaat bij onbekende ooms.

Een paar minuten later sta ik op de dijk.
Links de Waddenzee, rechts wat er droog gevallen is: schuine stroken water en land doorsneden met een lange lijn van palen. Geel slib, groen grasland. In de verte een wadloper met een oranje jack. Mijn geest ordent wat ik zie. Schoonheid. Ik ruik een vleug van vis en wier. Op een smal dijkje dat haaks staat op de plek waar ik nu sta, knettert een brommer richting niemandsland. Een paar minuten later rest alleen een zwarte stip zonder geluid.
Op een bord zie ik een kaart van dit gebied. Richting Ameland is er een lange geul. Danziggat, heet-ie. Ongetwijfeld voeren vanaf hier de schippers richting Polen. Als ik opkijk zie ik dat de wadloper ineens dichtbij is, op deze immense vlakte is het moeilijk afstanden te schatten.
Ik draai me om mijn as en zie nu pas dat ik bij een monument vol namen sta. 1883, lees ik. Drie jaar later werd Willem Drees geboren. Ik zoek de namen van de jongsten. Ze zijn 11 en 12 jaar – ze heetten allebei Hille – en zijn verdronken met hun opa, vader, ooms en broers.

In het museum even verderop lees ik dat het ‘de zwaarste storm sinds mensenheugenis’ was. Er hangen hier veel klassenfoto’s uit de eerste helft van de vorige eeuw. Drees was toen wethouder Sociale Zaken in Den Haag, in 1946 was hij de oprichter van de PvdA. Op de foto’s heeft geen enkel kind een onbezorgde blik, ze zien eruit als volwassenen met strakke strenge monden. De armoede spat van de foto’s af. Ik sta bij een bedstede met boven het voeteneinde een kist waarin de pasgeboren baby lag, in een huis van nog geen tien vierkante meter met een vliering. Een gezin met negen kinderen woonde hier. Ik loop door de vissershuisjes van dit kleine openluchtmuseum en besef dat ik ben opgegroeid in een tijd van enorme vooruitgang.

Wat ik gestemd heb, vraag ik mompelend aan mijzelf als ik mijn fiets weer pak. Ploumen. Ze gaf Trump lik op stuk toen hij per decreet de ontwikkelingshulp aan vrouwen stopzette. Binnen drie weken heeft ze 27 landen bereid gevonden het ontstane financiële gat te dichten.
Ik stap op de fiets, de zon staat laag.
De volgende dag lees ik de uitslagen. De populisten-stemmers zijn opnieuw in aantal gegroeid. Niet omdat ze het slecht hebben, zeker niet. De grijsblonde onheilsprofeet bevestigt slechts in oneliners hun ontevredenheid. Meer doet hij niet. Ploumen werd winnaar tussen de verliezers, Drees is nu echt dood.

 

Kerktent

 

Voor je het weet staat-ie er weer, in een restruimte achter de jachthaven Noordergat en de provinciale weg. Als de vlonders zijn neergelegd is die in een middag opgezet. De kerktent staat hier elke zomer. Een bordje met daarop ‘Kerkelijk recreatiewerk’ is aan de kant van de weg op een paal bevestigd. Het staat er onopvallend bij. Voor de weg naar God is klaarblijkelijk een kleine aanwijzing voldoende.
De tent staat al 40 jaar op deze plek, vlakbij de camping die ‘beleving’ in het vaandel voert. Je kan hier ‘Wadlopen onder begeleiding’, op ‘Safari met een echte Jeep’ en varen met de ‘Rescueboot’. Kleine kinderen gaan naar de indoor-speeltuin – met ballenbak natuurlijk – of doen speurtochten onder leiding van animatiewerker Ricardo. Een treintje rijdt over het terrein en haalt hen op. Kortom, de kerktent heeft vele concurrenten. Toch keert-ie elk jaar weer terug. In 2016 trok die 3000 bezoekers op 7 zondagen. Nederland ontkerkelijkt, maar de witte tent zit vol.

Misschien zie ik iets over het hoofd. Of is er met die tent wat bijzonders aan de hand. Op Google zoek ik naar ‘kerktenten’. Ik vind veel reclame voor ‘verhuur van kerken’ en als ik doorklik kom ik via ‘leegstaande kerk’ bij ‘feesten en partijen.’ Bij ‘partytenten’ zie ik foto’s die verdomd veel op de kerktent lijken. Ontkerking in een notendop. Toch is het druk hier zomers.
Op zondagochtend worden er kerkdiensten gehouden en de deuren staan wijd open. Deuren met panelen, weliswaar van kunststof, maar toch echte deuren. In het midden aan de brede kant kan je naar binnen. In mijn gedachten staat de dominee aan het einde van de dienst in de deuropening. Hij schudt de handen van de kerkgangers. Hij vraagt een vrouw hoe het met haar zieke moeder is en legt zijn hand op het hoofd van een kind dat hem een tekening laat zien.
Ik heb wel eens naar binnen gekeken tijdens de kerkdienst. Het was er vol, nauwelijks stoelen onbezet. Achter het publiek zaten aan een tafeltje drie kinderen te tekenen. Een man hield toezicht op dit recreatiewerk en luisterde ook nog naar de preek. Toen ik wegliep, zette de organist in.

’s Avonds zijn hier sing-ins met Gospelgroep Our Choice. Ook is er ‘Zingen op verzoek’ en ‘Zingen bij de beamer’, lees ik in het programma. Misschien zit in ‘zingen bij de beamer’ wel het geheim verstopt. Een vorm van karaoke maar dan met een religieus tintje. Ik heb daar ooit aan mee gedaan – zonder dat tintje weliswaar –, mijn oudste zoon werkte op een camping in Frankrijk. Hij leidde het steengrillen en direct daarna de karaoke. Zijn moeder en ik zongen samen Yesterday.
Of is die mededeling van drieduizend bezoekers nepnieuws? Daar hoor je veel over tegenwoordig. Weet u wat? (seizoenen lijken elkaar immers steeds sneller op te volgen.) Na de zomer schrijf ik weer een stukje over deze witte tent. En check niet alleen de feiten maar ga als een echte journalist op onderzoek. Ik maak een kerkdienst mee en een sing-in. U mag me eraan houden.

Villa Wannsee

20 januari

Er schijnt een schrale zon, de oostenwind is koud. Bij het station moet ik bus 114 nemen, is mij gezegd. Nu loop ik door een villawijk, een brede rustige straat. In de verte kinderstemmen, Internationale Montessorischule lees ik op een hek. Verder is het rustig hier, achter de huizen ligt het meer.
Bij de villa is een kleine jachthaven. Het tikkende geluid van de stalen draden tegen de masten klinkt irritant. Ik loop naar links. Moet ik dit trappetje naar beneden? Nee, dit is een restaurant. Een vriendelijke man vertelt dat ik verkeerd ben. ‘Daar, die villa met aan de zijde van het meer een bordes, dat is de ingang.’

Er zaten die dinsdagavond vijftien man aan tafel, de helft was nog geen veertig jaar. ‘Gaat het beter met je vrouw?’ vroeg iemand. ‘Ja, het ergste van de griep is nu voorbij, ze moet nog wat herstellen. Hoe is het bij jou?’ ‘Met de baby alles goed, zo’n lekkere bolle kop. Hij lurkt nog aan de borst.’ Iemand staat op. Een ander schenkt de koffie in. Neem een koekje, die staan daar niet voor niks.
Ik hoor het kraken van de vloer waar ik nu sta. Prachtig parket in grote schuine vierkanten gelegd met daarin weer kleine rechthoeken en zwarte biezen bij de randen. Op een vergadertafel met een glazen blad ligt voor iedereen hetzelfde document. Wat een mooie ruimte met dat uitzicht op het meer. ‘Zullen we beginnen?’ roept iemand. Dat moet Reinhard zijn, ik hoor zijn stem nu voor het eerst. Ik loop naar de andere kamer, ik stoor de mannen niet.
Hier hangen foto’s met teksten.
‘Gesundheit ist Lebensglück. Die Minderwertigen vermehren sich stärker als die gesunde Bevölkerung,’ lees ik. Een foto van een professor in de Eugenetica, hij onderzoekt een kind. Studenten om hem heen verdringen zich om niets te missen. Waarschijnlijk neemt hij volgende week tentamens af.
Vanuit de andere kamer hoor ik flarden van een gesprek. Namen van landen en aantallen passeren. ‘Zo komen we op de elf miljoen,’ zegt iemand. ‘Een mooi rond getal,’ mompelt een ander. Er wordt op het glazen tafelblad getikt. Zijn we akkoord? Iedereen knikt. Dank voor jullie komst. Stoelpoten schuiven over het parket. Ik kijk de lege kamer in, weer kraakt de vloer.

Vijfenzeventig jaar geleden, op de avond van 20 januari 1942, werd in de Villa Wannsee het besluit genomen om 11.000.000 joden te deporteren en te vermoorden. De vergadering duurde anderhalf uur en SS-leider Reinhard Heydrich leidde het gesprek. De villa is nu een museum.

 

 

 

 

 

Heiligverklaring

 

Hij heeft ongekamde haren en draagt een zonnebril. Achter hem zie ik een hoog raam waardoor je naar beneden op straat kijkt. Om hem heen staat een groep mensen. Ze verdringen elkaar. Iemand stelt een vraag. Een stompzinnige vraag, dat is duidelijk af te lezen aan het gezicht van de jongeman.
Dit is een beeld uit de film No Direction Home van Martin Scorsese, een film over het leven van Bob Dylan. Het is niet de eerste persconferentie die ik in deze documentaire zie. Voor Bob Dylan is het, voorlopig, een van zijn laatste. In 1966 besluit hij te stoppen met optreden.
Een journalist/fotograaf vraagt hem ‘wil jij nog een keer, op die nonchalante manier, de poot van jouw zonnebril zo losjes in je mondhoek doen?’ Dylan doet alsof hij de vraag niet verstaan heeft. De man herhaalt zijn vraag. Dylan doet alsof hij de vraag niet begrepen heeft, de man herhaalt zijn vraag nogmaals. Dylan staat op, pakt zijn zonnebril en vraagt de man het voor te doen. De man steekt de zonnebril in zijn eigen mondhoek en neemt een pose aan alsof hij wordt gefotografeerd.
Dit fragment maakt pijnlijk duidelijk dat Dylan er schoon genoeg van heeft. Hij moet steeds een ander zijn, een ander die het publiek en de pers van hem maken. Maar er lijkt geen weg terug. No direction home.

De man met het gesloten gezicht, op de rand van arrogant, staart mij aan vanaf de lp-hoes die in de kelder van mijn appartement ligt. Elke keer als ik mijn fiets pak, zie ik hem kijken. Ik kijk terug, maar hij geeft zich niet prijs. ‘Ik kijk wel uit,’ lijkt hij te zeggen.
Sinds ik No Direction Home gezien heb en Kronieken van Dylan las, kijk ik anders naar hem. Hij wil niet de vertegenwoordiger van mijn generatie zijn, zoals hij vaak werd aangekondigd. Integendeel. Hij bezwijkt eronder.
Tijdens een optreden in Engeland roept iemand uit de zaal: ‘Judas!’ Het doet me pijn om het te horen. Dylan heeft zijn akoestische gitaar ingeruild voor een elektrische en laat zich begeleiden door drie popmuzikanten. Later ontstaat daaruit The Band. ‘Judas!!’ wordt er weer geschreeuwd.
Hij lijkt onaangedaan. Dylan is iemand anders dan zijn publiek denkt. Hij wilde geen vertegenwoordiger zijn van een ‘protestgeneratie’ en wordt nu voor verrader uitgemaakt omdat hij de folkmuziek arrangeert als popmuziek.

Er is een verschil tussen de zichtbare Dylan en het beeld dat hij in teksten van zichzelf schetst. De zichtbare is ongenaakbaar, maar de Dylan in zijn autobiografie Kronieken is een man in nood. Achter het scherm van de arrogantie worden zijn zachte trekken zichtbaar. Hij staat op breken. Pompen of verzuipen. Hij wil zijn wie hij is: liedjesschrijver en vader van een gezin. Meer niet. Het is te snel voor hem gegaan. In 1963 – Martin Luther King, I have a dream – spreekt een jochie uit een dorp op zijn 21e jaar de massa toe. Bij het Lincoln-monument wordt Dylan aangekondigd als de ‘redder van zijn generatie.’ Redder. Hij laat het zich aanleunen.

Een paar jaar later wil hij nog maar één ding. Thuis komen. Zichzelf redden. Hij wil weg van de muziekscene. ‘Geen plek was ver genoeg, ik weet niet waarover iedereen aan het fantaseren was, maar mijn fantasie was een negen-tot-vijfbestaan, een rijtjeshuis met een wit hek in een straat met bomen en rozen in de achtertuin. Dat was mijn diepste droom. Maar na een tijdje kom je erachter dat privacy iets is wat je wel kan verkopen, maar niet terug kan kopen.’ ‘In de ogen van anderen was ik een prediker geworden die wonderen verrichtte (..), maar nu was alles in mijn gezicht uit elkaar geknald en het hing boven mijn hoofd.’
‘Ik wilde voor niemand dieper de duisternis in. Ik leefde al in die duisternis. Mijn gezin was mijn licht en dat zou ik tot elke prijs beschermen. Er zat een vermist persoon in me en die moest ik terugvinden.’

Een aantal jaren geleden zag en hoorde ik Dylan optreden in de Heineken Music Hall. Zijn nasale stem nog helemaal herkenbaar, zijn stembanden kraken. Een man, een paar jaar ouder dan ik ben, die met een stem vol barsten kreunend en krassend zijn charisma en muzikaliteit toont. Schijnbaar achteloos dirigeert hij de band vanachter zijn keyboard. Met een toon, een handgebaar of een wijziging in volume.
De dag na zijn optreden download ik de lp Blonde on Blonde op mijn IPod. De volgende ochtend, bij mijn dagelijks hardlooprondje, knalt ‘Rainy Day Woman’ door mijn koptelefoon. Er is geen beter stuk muziek om het hardlopen mee te beginnen. Zo rennend door de duinen wil ik hem spontaan heilig verklaren. Maar ja, hij leeft nog.

Link Rainy day woman

 

Gebruiksaanwijzing (2)

 

Roken is dodelijk

De doos met daarop ‘Gebruiksaanwijzingen’ in dikke viltstiftletters staat naast mij op de grond. Ik heb hem uit de kelder gehaald waar alles wat met handigheid te maken heeft is opgeslagen. Natuurlijk kan ik op mijn tablet ‘gebruiksaanwijzing tuner-versterker yamaha 830’ intypen en dan even scrollen naar ‘aansluitingen’. Maar iets weerhoudt me. Ik denk dat ik meer houvast vind bij het gedrukte woord, het digitale is me te vluchtig. Een gebruiksaanwijzing moet ik in mijn handen kunnen houden en ik moet bladzijden kunnen omslaan.

De inhoud van de doos is een rommeltje. Bovenop brochures voor modems van Ziggo en KPN. Als uiteindelijk – na vele malen ‘er-zijn-nog-8-wachtenden-voor-u’ – beeld en geluid bij verrassing functioneerden, was dit niet dankzij maar ondanks de gebruiksaanwijzing tot stand gekomen.
Daaronder ligt er een instructie voor de ‘Chicago 420 standaardset’. Een vaste telefoon waarmee je toch door het hele huis kan lopen, toen ik hem aanschafte was dat een revolutie. Daaronder ligt de instructie voor een startpakket digitale televisie, daarnaast nog zo’n instructie voor weer een ander startpakket maar nu met een foto van een Libelle-dame erop. Ook ligt er een dun receptenboek voor pizza bakken, dat hoorde bij een nieuwe oven. ‘Knusperige Pizza – typisch für Deutschland, Frankreich, GrossBrittanien, Italien und die Schweiz.’ Europa was toen nog in de opbouwfase, begrijp ik. De opsommingen van Zutaten en Überzug zal ik u besparen. Maar waarom heb ik dit bewaard? Pizza’s bakken – u kunt het bij anderen navragen – doe ik zonder gebruiksaanwijzing, recept of wat dan ook.

Ik kijk vanuit mijn stoel nu in de doos, een dik boek staat rechtop tegen de kant. Ik haal het eruit en lees: ‘Yamaha MCR-E810 Pianocraft.’ Daaronder twee dunne boekjes, geknakt op de bodem van de doos, de ene voor de dvd-speler en de ander voor het speakersyteem. Op de achterkant van die laatste heb ik aantekeningen gemaakt, zie ik. Haastige letters. Wat was ik aan het doen? Waarom? Klaarblijkelijk lag de gebruiksaanwijzing toen binnen handbereik en noteerde ik de woorden uit angst ze te vergeten.
‘Mixed reality’ heb ik bovenaan geschreven. Daaronder ‘verschil tussen werkelijkheid en representatie (afbeelding) van de werkelijkheid is niet meer mogelijk’ en ‘afbeeldingen van dingen zijn gewoner geworden dan echte dingen…’ Ik was in een filosofische bui, dat is wel duidelijk. Maar toch…
Ik lees graag in een echt boek, waarbij ik het boek kan betasten met mijn vingertoppen. In het ene boek voel ik de structuur van het papier en in het ander de gladde pagina’s, houtvrij. Ik geniet van een boek waaraan ik kan zien dat het bijna stuk gelezen is. Ja liever een echt boek in plaats van een e-reader. Dat is een nep-boek, met een hoes als omslag om toch een beetje op een boek te lijken. Bovendien aan mijn boekenkast kan ik mijn levensfases zien, mijn boeken staan thematisch gerangschikt. Dat is niet ontstaan uit een behoefte aan ordening, nee zeker niet. Organisch heeft die afbeelding van mijn leven zich gevormd. Film en filmgeschiedenis dat was het eerste thema, toen pedagogiek, daarna een uitstapje naar zen en meditatie, vervolgens de reisverhalen van Paustovsky en daar dichtbij geschiedenis, filosofie. De boekenkast is een reflectie op mijn leven.
Schiet op Muiderman, je moet nu aan het werk.

Ik sla de gebruiksaanwijzing open – het voelt als een dik boek dat losjes is gebonden –, een instructie in zeven talen, na ‘Manuale di istruzioni’ en ‘Bruksanvisning’ volgt ‘Gebruiksaanwijzing.’ De eerste pagina daarvan heb ik ooit omgevouwen. Ik blader en tel 67 pagina’s in het Nederlands. Daar ga ik eens goed voor zitten.
Eerst haal ik de pick-up uit de gang en zet die op de grond naast de versterker. Laat ik ook een glas wijn inschenken en ik heb nog zo’n lekker stukje brokkelkaas. Ik pak de lage stoel, nu zit ik goed. Die wijn is prima, proef ik.
‘LET OP! LEES HET VOLGENDE VOOR U HET TOESTEL IN GEBRUIK NEEMT’ lees ik op de tweede pagina. Dit klinkt toch als een dreigement. Vette witte letters in een zwarte balk. Dit is de sfeer van ROKEN IS DODELIJK en dat 67 pagina’s lang. Ik schenk me nog eens in.

(wordt vervolgd)
‘Gebruiksaanwijzing’ is een serie teksten in de vorm van een feuilleton. Over handigheid en onhandigheid, inzicht en ongeduld en de dunne scheidslijn tussen iets repareren of definitief kapot maken.

Gebruiksaanwijzing (1)

 

EP

Ik doe het niet langer. Ik loodgieter en timmer niet meer, leg niks meer aan, breek niets meer uit of open. Zelfs het huis schilderen – ooit vond ik het heerlijk daar bovenop die trap – laat ik graag aan de professionals. In mijn jeugd bouwde ik een radio, repareerde versterkers maar nu alles rond beeld en geluid draadloos tot leven komt, is het intypen van het Wi-Fi-wachtwoord voor mij meer dan voldoende.
Ik ruimde zo’n vijftien jaar geleden het huis leeg waarin mijn kinderen waren opgegroeid en tijdens het schoonmaken van de tuinschuur heb ik dat besluit genomen.
Een schuur van nog geen twee bij tweeëneenhalve meter, vol met fietssturen, trappers, een voorvork, een frame van een kinderfiets, binnen- en buitenbanden die nog kans maakten op een tweede leven. Zijwieltjes, kettingkasten, een spanner om een achtervork wijder te maken, nog zo’n spanner, vermoedelijk omdat de andere tijdelijk was zoekgeraakt. Remkabels, zadels natuurlijk, een uit elkaar gehaalde trommelrem in een kartonnen doosje. Waarom bewaarde ik die zo netjes? En veel ijzer in een diversiteit aan maten en vormen. De stukken ijzer hadden door de tijd (en gebrek aan actie van mijn kant) hun oorspronkelijke betekenis verloren. Kortom, als vader van een groot gezin was ik in mijn vrije tijd ook fietsenmaker.

Ik betrok een nieuw appartement en alles wat niet was weggegooid, maar ook niet direct een functie had, belandde in de kelder. Zoals ook mijn pick-up en stapels langspeelplaten.
Maar gisteren kreeg ik een ep cadeau. Ja, u leest het goed: EP. Een woord van lang geleden, het staat nog steeds in de Van Dale.
De achterkant van mijn versterker zie ik zelden. Een Yahama uit de serie 810. Door de toevoeging van dit nummer lijk ik een deskundige. Als ik de materie niet doorzie, is het eerste wat ik doe de indruk wekken dat ik alles in de hand heb. Die geveinsde arrogantie geeft mij zelfvertrouwen.
De voorkant van het apparaat is mij bekend natuurlijk. Alles oogt helder digitaal. Maar de pick up, die ik uit de kelder heb gehaald, moet aan de achterkant zijn ingang vinden.
Een blik daarop leidt tot zowel hoop als verwarring. Hoop omdat ik ooit de functie van al die pluggen, draden, in-en output schakelaars moeiteloos doorzag, verwarring omdat ik niet meer weet wat Aux 1 is en laat staan Aux 2. Dat de rode plug in de rode opening bij input moet en de witte vergelijkbaar vind ik logisch. Ik probeer het en wacht op het geluid van de lichte kras met heel even de zware ondertoon van de naald die op zoek gaat naar de groef. De ep draait rond, de naald gaat langzaam naar beneden.
Er is geen signaal.

Nu ligt de hoes bij mij op tafel en staat de pick-up weer in de gang. Een mooie hoes. Ik lees:

Wanneer dit lied, Les Feuilles Mortes
In mijn geheugen is gedoofd
Zullen mijn lang vervlogen liefdes
Op die dag opstaan uit de dood.

En onverwacht sta ik weer in de tuin. Alsof een 8mm film wordt teruggespoeld: het oude ijzer verdwijnt met schokkerige sprongen in de schuur. Fietsen worden naar buiten gereden, een met zijwieltjes als laatst. Ik ruik de geur van bandenplak. Ik plant een boom en strooi een handje bloemenzaad. Kinderen rennen naar buiten. De kleuren van de beelden zijn vervaagd, een vrouw zit in de zon en leest de krant.

(wordt vervolgd)