Taal

Het Bildt
Geke Postma-Postma heeft het Bildts dictee gewonnen, herinner ik me terwijl ik vanaf de Oude Bildtsedijk het land in kijk. Rechts een enorm gebouw met sierlijke letters op de gevel: ‘Openbaar Lager Onderwijs Anno 1898’. Wellicht leerden daar de kinderen het Bildts. Of juist niet, dat kan ook, wat je spreekt hoef je niet meer te leren. Lees verder via  Literair Nederland

Voor anker

Hviding

…op een stenen bank schrijf ik in mijn notitieboekje ‘het gaat niet om het doel, maar om de weg er naar toe.’ Wat een cliché, ik zit hier een beetje voor boeddhist te spelen alleen maar om mezelf te troosten dat ik niet naar binnen kan. Lees verder via Literair Nederland

Vogels spotten

Montmartin-sur-mer

De camping Municipal ligt in een klein dal en na een scherpe bocht rij ik steil omhoog, zet mijn camper neer en kijk uit over de heuvels. Onder mij, zo’n dertig meter diep schat ik, de camping met één caravan. Ik ben hier meer geweest in Montmartin-sur-mer. Het zal het uitzicht zijn, de kalmte en de eenvoud.
Vlakbij het toiletgebouw staat de caravan met voortent. Hij is van een ouder echtpaar, al merk ik dat het woordje ‘ouder’ in vergelijking met mijn eigen leeftijd steeds relatiever wordt. Laat ik het anders zeggen: ze zien er ouder uit dan ik me voel.

Zij is gezet en loopt schommelend van de caravan naar het toiletgebouw, als ik haar passeer groet ze met een opgewekt ‘bonjour’. Hij inspecteert de caravan, loopt er omheen alsof die niet nog van hem is maar dat hij elk moment een bod gaat doen. Ze stralen rust uit, maar lijken tegelijkertijd gehaast.
Ze eten in de voortent. Aan de manier waarop ze eten kan je zien dat ze trek hebben in het volgende. Hij staat op en sluit de ritsen van de voortent, zij opent ze. Het lijkt alsof er iets klaar gezet moet worden, iets wat ik niet zie. Misschien krijgen ze bezoek.

Buiten staat een wasrekje. Hij voelt of de was al droog is, gebaart naar haar om het rustig aan te doen want zij wil al gaan vouwen. Hij loopt weg, zij roept wat. Hij loopt weer terug en kijkt naar de lucht. Hij opent de deuren van de Peugeot – zo kan die lekker luchten – en bedekt de voorruit met een folie tegen de zon.
Hij zet twee klapstoeltjes neer, zij gaat zitten maar staat gelijk weer op. Hij dekt de tafel.
Even later zie ik ze lopen, arm in arm. Hij trippelt, zij loopt in een schommelgang.

De Allerhoogste

 

‘Maar nu, weer staand op de hoek bij het Underom, dringt zich een vraag op. Het zal toch niet zo zijn dat we met het ‘afschaffen’ van God ook alle rituelen en verhalen hebben weggegooid?’
Lees verder via Literair Nederland

Herdenken

 

Als ik in de buurt ben van haar graf, praat ik wel eens met mijn moeder. Dat het tijd wordt om weer langs te komen. Liggen er bladeren op je steen? Je bent er niet meer, toch bereik ik je. Kan dat? Vertel me eens, hoe is de dood?
Met mijn vader deed ik dit aanvankelijk minder vaak. Hij had geen steen, zijn as is uitgestrooid. Ik weet niet waar. Als er geen plek is voor de dood, is de herinnering gehandicapt. Verbeelding helpt je dan een handje: op dezelfde begraafplaats als die van mijn moeder heb ik aan de rand van ‘Strooiveld A’ een boom gekozen. Soms loop ik daar langs en kijk naar de wortels die de grond omhoog duwen. Dag pa. Een begraafplaats is niet de plek om iemand terug te vinden, maar juist zijn afwezigheid te ervaren.

Als kind heb ik de begrafenis van mijn grootvader, de vader van mijn vader, meegemaakt. De sterfdatum van mijn oma heb ik nooit kunnen vinden. Ze was zomaar weg. Van de ouders van mijn moeder zijn er alleen maar foto’s en verhalen, ze waren al gestorven voordat ik geboren was. Haar vader was bakker, haar grootvader letterzetter. Bij de overgrootouders lijkt de herinnering op te houden. Je vindt wel eens een digitale stamboom, maar als de sterfdatum ontbreekt heeft de herinnering geen houvast.
Hoe herdenken we? Met een steen of een familiegraf, dat gaat wat langer mee, een urn in een nis, een monument. Soms neem ik naar het graf van mijn moeder een plantje mee: ik ben je niet vergeten.
Muziek heeft bij uitstek de functie van herdenken. In het moment waarop je luistert is het de bruggenbouwer naar wat ooit verdwenen is. De bijbehorende emotie verrast. Foto’s, schilderijen zijn er. Woorden natuurlijk, geschreven, gedrukt, in steen gebeiteld. Of in mezelf pratend, fluisterend, staand voor een graf. Maar een graf wordt geruimd, de geschiedenis herschreven, een tekst op een monument verwijderd omdat die ons niet meer welgevallig is.

In de Oude Kerk in Amsterdam – tot in de negentiende eeuw een begraafplaats – lagen ooit de overblijfselen van twintigduizend mensen. Toen ik die kerk bezocht hingen daar tientallen jassen in vele tonen zwart. Een installatie van de kunstenaar Christian Boltanski. Jassen liggend op de grond met hun rug naar boven en de mouwen wijd. Als omhulsel van een lichaam. Ook hingen er jassen losjes over stoelleuningen, alsof de ruimte plotseling verlaten was. Je weet dat de lichamen verdwenen zijn maar tegelijkertijd hoop je op hun terugkeer. Afwezigheid en aanwezigheid vallen hier samen. ‘Een jas is als een lichaam,’ zegt Boltanski.
Verspreid over de kerkvloer ‘stonden’ jassen op hoge benen en stelden me vragen (via een onzichtbare speaker) die ik ook aan mijn moeder stel. ‘Zeg eens, voelde je je alleen?’ ‘Had je vertrouwen?’ ‘Zeg eens, hoe is de dood?’
In een van de zwarte tombes die Boltanski in de Oude Kerk had neergezet, lag een namenlijst van de duizenden die hier werden begraven. In een microfoon kan ik een aantal namen fluisteren die later in het koor te horen zijn. Als ik ze fluister, de eerbied komt vanzelf, besef ik dat herdenken ook iets van jezelf achterlaten is.

 

 

 

 

Ottoturm

Upleward-Greetsiel-Groothuusen

Zowel binnen- als buitendijks kan je fietsen naar Greetsiel. Waar je in deze streek ook naar binnenstapt, een café, een ijssalon of bibliotheek, altijd hangt er een kalender met een foto van de roodgele vuurtoren op de dijk bij Pilsum… Lees verder via Literair Nederland.

Op de dijk

 

‘Wat doet een mens als hij mijmerend op de dijk zit. Hij telt de schepen, zoekt in de verte naar de plek waar het land ophoudt en het water begint…’
Lees verder via Literair Nederland.

Einde van de dienst

 

De dijk loopt af in de richting van de sluis bij Knock en onverwacht is die daar: de overkant. Ik zie de plek waar ik vandaan kom. Helemaal rechts het Eemshotel… lees verder via Literair Nederland.

 

 

Krimi

 

Pogum – Bingum
‘Is dat de eigenaar van deze camping? Grijs haar in een paardenstaart, zijn armen vol tatoeages. Ik hoor een groep motoren starten. Misschien vergis ik me…’
Lees verder via Literair Nederland

Nabuurschap

 

‘Behalve het geluid van vogels en het roetsjen van mijn fietsbanden over de wildroosters is het stil. Ik ben nog niemand tegengekomen. De sluis van Nieuw Statenzijl torent uit boven de dijk, een slaand geluid van ijzer op ijzer waait mijn kant op. Ik zoek de grens met Duitsland…’
Lees verder op Literair Nederland.